Inleiding Roos Van Acker

Oh, wat hou ik van …

Een eindwerk schrijven - do's & don'ts

Oh, wat hou ik van de Nederlandse taal. Een mooie zin kan me de hele dag lang vrolijk maken.

Zo heb ik al jaren een boekje in mijn handtas dat ik overal meeneem waarin ik alle mooie uitspraken en uitdrukkingen neerkrabbel, die ik tegenkom. Mijn grootvader schreef aforismen, wijsheden zorgvuldig in pareltjes van zinnen gegoten. Zijn zoon Alfred, mijn vader, had zijn liefde voor taal dus met de paplepel meegekregen. Het was dan ook logisch dat deze Van Acker die liefde zou overnemen. Zo ging ik dictie, voordracht, welsprekendheid en toneel volgen op de academie en was ik er al snel van overtuigd dat ik Nederlands zou gaan studeren.

Mijn vader had veel Nederlandse vrienden en hij besloot om - samen met ons ma - mijn zus en ik op te voeden in perfect Algemeen Nederlands, AN. Hij was daar best fanatiek in. Tijdens het gezamenlijke avondmaal werd mijn uitspraak ‘da mes’ bijvoorbeeld meteen afgestraft en verbeterd door pa in ‘ daT mes, Roos’ . Vader bleek ook heel creatief te zijn met de Nederlandse taal: zo creëerde hij vaak zijn eigen leuke woorden. Hij noemde sandwiches ‘puntbroodjes’ en zijn beide dochters moesten die ook zo noemen wat altijd voor de nodige spraakverwarring zorgde. Ik liep als zevenjarige het woord ‘sandwiches' onderweg al te oefenen als ik naar de bakker gestuurd werd, want puntbroodjes … daar had de bakker nog nooit van gehoord. Jaja, de familie van Acker at puntbroodjes met een plakje ham ertussen, geen sandwiches met een schelleke hesp. Als we in de winter ergens naartoe moesten, deden we onze ‘das om’, niet onze ‘sjaal aan’.

Het heeft me geen windeieren gelegd, ik kan het best goed uitleggen. Als ik boos word, doe ik dat in perfect AN. Dat komt harder aan dan met de deur slaan, ik spreek uit ervaring.

Deze vrouw is van het gesproken woord. Maar, af en toe, naarmate ik ouder word, laat ik me overhalen tot schrijven. Meer nog: ik geef er tegenwoordig ook les over.

Ik vergelijk schrijven graag met koken. Eerst denk je na over wat je wilt klaarmaken, dan verzamel je de ingrediënten, doe je het grove werk, zoals de groenten snijden. Net zoals het eerste schrijfstadium: onderwerp kiezen, urenlang research doen, … Dan begin je echt te koken en daarna komt het fijnere werk, de kruiding: een beetje tijm erbij, een snuifje zout, een scheutje room om je gerecht meer smaak te geven. Zoals schrijven, herlezen, schrappen en reflecteren.

Koken doe ik graag, maar schrijven … daar had ik het eerlijk gezegd altijd wat moeilijk mee. Dichten was een uitzondering. De dichterlijke vrijheid was voor mij soms een uitvlucht om mijn gebrek aan een vlotte pen te verdoezelen. Het onderwerp van mijn eindwerk was dan ook snel beslist: de poëtica van Herman de Coninck, schrijven van gedichten.

Ik had al snel door dat ik het meeste sukkelde met de schrijfstijl van mijn eindwerk. Als student ben je bezig met persoonlijk onderzoek, met je eigen visie en inzicht, maar dat alles moet dan in een zakelijke en neutrale toon worden gegoten. Dat vloekte in mijn hoofd, dat kon ik niet rijmen.

Worstelen met het schrijven van een eindwerk is voor veel studenten een huzarenwerk. Het is belangrijk te weten hoe je moet schrijven, omdat schrijven de voornaamste bouwsteen is om je boodschap op een sterk, overtuigende manier te brengen, om je eindwerk succesvol af te werken en … om dan dat papiertje aan het eind van je studies in handen te krijgen.

Het boek van Leen Pollefliet is hierbij een goede steun, een belangrijk hulpmiddel, een gids die je begeleidt en je helpt de juiste keuzes te maken. Dit boek wakkert je motivatie aan om op de juiste manier met taal te werken en je eindwerk aantrekkelijk vorm te geven.

Harry Mulisch heeft ooit gezegd : ' Schrijven is straten maken, op je knieën liggen en achteruit kruipen’. Leen Pollefliet reikt je hierbij de juiste instrumenten aan én de kniebeschermers. Verplichte kost voor elke student en begeleidende lesgever in het hoger onderwijs.

Roos Van Acker, Mechelen, 1 maart 2016