Inleiding Rik Torfs

Liefste lezeres, hooggeachte lezer

Een eindwerk schrijven - do's & don'ts

Eindwerken! Thesissen! Proefschriften! Ik heb er het ergste mee meegemaakt. Sta me toe twee gruwelijke verhaaltjes te vertellen, waarna het heerlijke boek van Leen Pollefliet u zal bevrijden.

Ooit was ik assistent aan de Leuvense rechtsfaculteit. Specialiteit: erfrecht. Vraag niet waarom. Ik beken de feiten. Dat is al dapper. Ik had in die tijd een collega die ouder was dan ik. Hij had met succes een proefschrift verdedigd. Hij was dus doctor, wat je helaas ook kon zien. Hij was een waardig mens geworden. Bij momenten toonde hij zich genereus. Grootvaderlijk las hij mijn allereerste wetenschappelijk artikel na. Daarna riep hij mij bij zich. Wij zaten recht tegenover elkaar aan zijn bureau, dat vervaardigd was uit een kitscherige houtsoort die teveel glansde.
Daar zaten we dan. De meester en de leerling. Hij die spreekt en hij die luistert. Zorgelijk blikte de doctor mij toe, waardoor de aders boven zijn slapen vervaarlijk aan het zwellen gingen. Zouden zij ontploffen? Even leek het alsof mijn geleerde collega spoedig zou overlijden. Maar hij overleed niet. Integendeel, hij nam het woord en zei: “Verzorg uw taal!” Dan liet hij een stilte vallen, die men als ‘betekenisvol’ zou kunnen omschrijven. Fluisterend ging hij verder: “Uw schrijfstijl behoort ambtelijk te zijn. Nu is het artikel veel te frivool. Ik zeg u: de mensen zullen u nooit ernstig nemen.” Zijn raad heb ik natuurlijk niet opgevolgd –ambtelijk taalgebruik, help!- maar hij bleek wel de toekomst te kunnen voorspellen. Een troost: hij wordt zelf ook niet ernstig genomen. Ambtelijk taalgebruik helpt dus niet altijd.

Later werd ik hoogleraar. Ook hierover geen commentaar. Alleen dit: het ging niet om een politieke benoeming. Hooguit om een vergissing. Ook nu weer had ik binnen de kortste keren een bizarre collega. Een priester uit Nederland. En ja: de collega bleek ongelooflijk ernstig te zijn. Bij de verdediging van verhandelingen boezemde hij iedereen angst in. Zijn commentaren waren striemend. Sommige meisjes begonnen al te huilen nog vooraleer hij het woord had genomen. En toegegeven, hij zag er niet uit wanneer hij zweeg. Hij beschikte over flinterdunne lippen die telkens als hij aanstalten maakte om te spreken lichtjes beefden. Lichtjes beefden? Laten we maar gewoon zeggen: hij had lippen die venijnig beefden. Priesterlijke lippen die te weinig liefde hadden gekend. Die misschien wel beefden omdat het leven voor hem te koud was geweest. Mijn collega boorde elke verhandeling volgens een vast patroon in de grond. “Waar is de centrale vraagstelling?”, meesmuilde hij. “Ik zie ze niet. En waarom zie ik ze niet? Ik zal het u zeggen. Er is er geen. En weet u waar ook geen spoor van te vinden is? Van de subvragen! Van de subvragen! Dit is een verhandeling dames en heren, u houdt het niet voor mogelijk, zonder subvragen.” Wat subvragen zijn, heb ik nooit geweten, maar dat ze altijd ontbraken en dat hun afwezigheid elke verhandeling waardeloos maakt, zal ik nooit vergeten. Voor de volledigheid: mijn collega leeft nog steeds, is met pensioen en bidt veel.

U voelt, liefste lezeres, hooggeachte lezer, dat ik van deze inleiding misbruik maak om met oude frustraties in het reine te komen. Sorry daarvoor. Maar toch dit: vreemd hoe opmerkingen over proefschriften, eindwerken, verhandelingen en thesissen kwaad bloed kunnen zetten. Het is dus belangrijk over dit heikele onderwerp de juiste dingen te schrijven.

En dat doet Leen Pollefliet. Ze is praktisch, niet belerend. Ze schrijft kernachtig, niet oppervlakkig. Ze doet suggesties, legt niets op. Ik zou dus zeggen: lees het boek. Het laat zich lezen. Dat kan niet van elk eindwerk worden gezegd. Maar wel van uw eindwerk, als u luistert naar mevrouw Pollefliet. Dat verdient ze. De mooie foto van haar die op de achterflap van dit boek prijkt, bevestigt overigens ten overvloede deze stelling. Al weet ik ook wel dat ik zoiets eigenlijk niet zou mogen schrijven.

Rik Torfs, K.U. Leuven